Monday, May 6, 2013

De Voorbereiding Voor De Reis

Het innerlijk leven is een reis. Voor we vertrekken is een zekere voorbereiding nodig. Als men niet voorbereid is, bestaat er altijd gevaar te moeten terugkeren, voordat men zijn bestemming heeft bereikt. Als iemand op reis gaat met de bedoeling iets te volbrengen, moet hij weten wat hij onderweg nodig heeft, en wat hij moet meenemen, zodat de reis makkelijk verloopt en hij het doel bereikt, waarvoor hij op reis ging. De reis, die men onderneemt in het innerlijk leven, is even lang als de afstand tussen leven en dood; het is de langste reis, die men in zijn leven aanvaardt en men moet alles goed hebben voorbereid, zodat men niet hoeft terug te keren na een zekere afstand te hebben afgelegd.

Een eerste vereiste is na te gaan of er een schuld is die vereffend moet worden. Iedere ziel heeft een zekere schuld te betalen in het leven; misschien aan zijn moeder of vader, zijn broer of zuster, zijn echtgenoot of vriend, of aan zijn kinderen, zijn ras of aan de mensheid. Als hij niet heeft betaald, wat hij verschuldigd is, zijn er banden die hem innerlijk binden en hem terugtrekken. Het leven in de wereld is een eerlijke handel, als we dat maar begrepen! Als we maar wisten, hoeveel zielen er in deze wereld zijn, waarmee we op de een of andere manier verbonden zijn of in contact staan, om niet te spreken van hen, die wij elke dag voor het eerst ontmoeten. Aan ieder zijn we iets verschuldigd en wie niet aan zijn verplichtingen voldoet, moet deze later met rente afbetalen.

Er is een innerlijke rechtvaardigheid, die boven die van de wereld uitgaat. Als iemand die innerlijke wet niet in acht neemt, is het omdat hij op dat ogenblijk in een roes verkeert: zijn ogen zijn gesloten, zodat hij in werkelijkheid de levenswet niet kent. Maar die roes houdt niet aan. De dag zal komen, dat de ogen van iedere ziel opengaan en het is jammer, wanneer dit te laat gebeurt. Het is beter, dat de ogen geopend worden wanneer de beurs vol is, want het zal heel moeilijk zijn, als dat pas gebeurt wanneer de beurs leeg is. Aan sommigen zijn we verplicht hen te ontzien, anderen zijn we eerbied verschuldigd, weer anderen verdraagzaamheid. Dezen moeten we dienen, sommigen helpen, en weer anderen vergeven. Op een of andere wijze, in ieder verband, bij ieder contact zijn we iets verschuldigd en voor we de reis beginnen moeten we weten, dat we onze schulden hebben afbetaald. We moeten er zeker van zijn, dat we dit ten volle hebben gedaan, zodat er niets meer te betalen valt. Ook is het nodig dat we ons er rekenschap van geven voor we op reis gaan, dat we onze plichten hebben vervuld; onze plicht tegenover de mensen om ons heen en onze plicht tegenover God. Hij, die zijn plicht tegenover de mensen om hem heen als heilig beschouwt, doet zijn plicht tegenover God.

Voor hij op reis gaat, moet de mens ook bedenken, of hij alles geleerd heeft, wat hij van deze wereld leren wil. Als er iets is, dat hij nog niet geleerd heeft, moet hij dat doen voor zijn vertrek. Want als hij denkt: 'Ik zal op reis gaan, hoewel ik graag eerst nog iets had willen leren' dan zal hij niet in staat zijn zijn doel te bereiken. De wens om nog iets te willen leren zal hem terughouden. Iedere wens, iedere ambitie, elke aspiratie, die hij in het leven koestrt, moet bevredigd zijn.

Niet alleen dat, maar de mens moet ook geen enkele wroeging meenemen op reis, noch enig berouw hebben, nadat hij op reis is gegaan.
Als er een of andere wroeging of berouw is moet dit overwonnen zijn voor hij de reis aanvaardt. Er moet geen wrok in hem zijn tegenover wie dan ook, noch enig gevoel van beklag tegenover iemand die hem kwaad heeft gedaan, want alle dingen die tot deze wereld behoren zouden, als ze werden meegenomen, een last worden op het geestelijk pad. De reis is al moeilijk genoeg en wordt nog moeilijker, als we een last hebben mee te torsen, want een last van ongenoegen, onvrede of onbehagen is moeilijk te dragen op dit pad. Het is het pad dat tot vrijheid voert en om dat te betreden moet de mens zich vrij maken; geen gehechtheid moet hem terughouden, geen genoegen hem teruglokken.

Behalve deze voorbereiding heeft men een voertuig nodig, een voertuig om de reis in te maken. Dat voertuig heeft twee wielen en deze geven in alles evenwicht. Iemand die eenzijdig is, hoe helderziend of helderhorend hij ook is of hoe groot zijn kennis moge zijn, is toch begrensd; hij zal niet ver komen, want er zijn twee wielen nodig voor zijn voertuig om te kunnen voortgaan. Er moet evenwicht zijn, evenwicht tussen hoofd en hart, tussen macht en wijsheid, tussen handeling en rust. Evenwicht stelt de mens in staat om de inspanning van de reis te verdragen en maakt het pad gemakkelijk. Meen niet, dat zij, die tonen gebrek aan evenwicht te hebben, ooit verder kunnen komen op de geestelijke reis, hoe sterk hun geestelijke neiging ook schijnt te zijn. Alleen de evenwichtigen zijn in staat om het uiterlijk leven even sterk te ervaren als het innerlijk, van gedachten evenveel te genieten als van gevoelens, te kunnen rusten zowel als actief te zijn. Het centrum van het leven is ritme en ritme geeft evenwicht.

Op deze reis zijn ook geldstukken nodig om onderweg uit te geven. Wat zijn dat voor geldstukken? Het zijn woorden en daden, die getuigen van een meevoelen met anderen. De mens moet een voorraad voedsel en drank meenemen en dat is: leven en licht.

Op deze reis moet de mens ook iets meenemen om zich te kleden en zich tegen wind en storm, hitte en koude te beschermen; dat kleid is de gelofte van geheimhouding, de neiging tot zwijgen. Op deze reis moet de mens bij zijn vertrek afscheid nemen van anderen en dat afscheid is een liefdevol losmaken; voor hij de reis begint moet hij iets bij zijn vrienden achterlaten, namelijk zijn gelukkige herinneringen uit het verleden. Vrienden, wij zijn allen op reis; het leven zelf is een reis. Niemand heeft hier een blijvende plaats en daarom is het niet juist als we zeggen dat, wanneer wij de geestelijke reis aanvaarden, we onze plaats in het leven moeten opgeven. Niemand heeft hier een vaste plaats, we zijn allen in beweging, allen zijn we op weg. Alleen neem je, wanneer je de geestelijke reis aanvaardt, een andere weg; een die gemakkelijker, beter en aangenamer is. Zij, die deze weg niet gaan, komen er ten slotte ook; het verschil ligt in de weg. De ene weg is gemakkelijker, meer effen, beter; de andere is vol moeilijkheden, kunnen we toch beter de beste weg naar het doel kiezen, waar alle zielen eens zullen komen.

Met innerlijk leven bedoelen we een leven in de richting van volmaaktheid, die men de volmaaktheid van liefde, harmonie en schoonheid kan noemen; in de taal der gelovigen: in de richting van God. Het innerlijk leven hoeft niet bepaald in de tegenovergestelde richting van het wereldlijke leven te gaan, maar het innerlijke leven is een voller leven.

Het wereldlijke leven betekent een begrensd leven; het innerlijk leven wil zeggen: het volle leven. De asceten, die een richting hebben gevolgd, geheel tegengesteld aan het wereldlijke leven, deden dit om gemakkelijker de diepten van het leven te kunnen onderzoeken. Maar door alleen in een enkele richting te gaan, komen we niet tot de volledigheid van het leven. Daarom betekent het innerlijk leven de volheid van het leven.

In het kort samengevat kunne wij zeggen, dat het innerlijk leven twee kanten heeft: activiteit gepaard aan kennis, en rust gepaard aan een passieve geest. Door deze beide tegengestelde aandriften een door evenwicht tussen beide richtingen te bewaren, komt men tot de volheid van het leven. Iemand, die het innerlijk leven leidt, is onschuldig als een kind. Ja, zelfs onschuldiger. Maar tegelijkertijd wijzer dan vele verstandige mensen bij elkaar. Dit wijst op een ontwikkeling in twee tegenovergestelde richtingen. De onschuld van Jesus is door alle eeuwen heen bekend. In iedere beweging, in iedere daad was hij als een kind. Alle grote heiligen en wijzen, al de groten die de mensheid hebben  bevrijd, waren onschuldig als kinderen en tegelijkertijd wijzer, veel wijzer, dan vele knappe mensen in de wereld. Hoe komt dat? Wat geeft hun dit evenwicht? Het is de passieve rust. Als zij voor God staan is hun hart als een ledig vat. Als zij voor God staan om iets te leren, laten zij alles los wat deze wereld hun heeft geleerd. Als zij vood God staan, hebben zij hun eigen ik, hun zelf, hun leven, niet meer voor ogen. Dan denken zij op dat ogenblijk niet meer aan zichzelf met enige wens die ze vervuld willen zien, met enig verlangen iets te bereiken, met enige uiting van zichzelf; maar ze zijn als ledige vaten, opdat God hun wezen zal vullen, opdat zij hun onechte zelf zullen verliezen.

Dat helpt hen om in hun dagelijks leven iets van dat stille ogenblijk van rust over te brengen dat zij met God hadden. Zij tonen in hun dagelijks leven onschuld, maar geen onwetendheid. Zij wetten de dingen en weten ze niet. Zij weten wanneer iemand liegt. Maar beschuldigen zij hem, of zeggen zij: 'Je vertelt een leugen'? Zij staan daarboven. Zij kennen alle listen van de wereld en zien ze rustig aan; zij rijzen boven de dingen van deze wereld uit, deze maken geen indruk meer op hen. Zij nemen de mensen eenvoudig zoals ze zijn. Men zou kunnen denken, dat ze onwetend zijn in hun leven in de wereld; dat ze de dingen, die niet van belang zijn, niet opmerken. Activiteit gepaard aan wijsheid maakt hen wijzer dan anderen, want niet iedereen in deze wereld bestuurt al zijn daden met wijsheid; velen doen dat nooit, terwijl anderen hun toevlucht tot wijsheid nemen na hun daden en dikwijls is het dan te laat.

Allen die het innerlijk leven leiden, besturen hun handelingen met wijsheid. Iedere beweging, iedere daad, iedere gedachte, ieder woord is eerst doordacht, eerst gewogen en gemeten en ontleed, voor er uitdrukking aan gegeven wordt. Daardoor doen zij alles in de wereld met wijsheid, maar voor God stan ze in volledige onschuld; daar nemen zij hun wereldlijke wijsheid niet mee. Door of de ene weg te nemen of de andere maken wij mensen dikwijls fouten en daardoor schieten wij tekort in evenwicht en bereiken de volmaaktheid niet. Bijvoorbeeld wanneer we actief zijn op het pad van God, dan willen wij onze wijsheid daar gebruiken; ook daar willen wij actief zijn, waar geen activiteit nodig is. Het is als tegen de stroom op zwemmen. Als we onze wijsheid willen gebruiken, waar overgave verlangd wordt, is dit de grootste dwaling. Dan zijn er anderen die gewend zijn de passiviteit, waarmee ze in hun onschuld voor God staan, als beginsel te nemen. Ze willen dit in alle richtingen van het leven toepassen, wat evenmin goed is.[]

No comments:

Post a Comment